Bezoekers
mod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_countermod_vvisit_counter
mod_vvisit_counterVandaag19
mod_vvisit_counterGisteren277
mod_vvisit_counterDeze week565
mod_vvisit_counterDeze maand1706
mod_vvisit_counterTotaal57886
Klok
Ulti Clocks content
Poll
Volgend schooljaar ga ik naar het/de ...
 

PostHeaderIcon De school vroeger ...

Tuinbouwschool Melle - 160 jaar geschiedenis in een notendop.

Op 30 april 1849 werd op het bedrijf van Louis-Benoit Van Houtte het “Institut Royal d’Horticulture de Gentbrugge” opgericht als eerste tuinbouwschool op het continent. De oorspronkelijke bedoeling van deze man was om zelf zijn medewerkers te vormen en de  bloemisten wetenschappelijk te onderleggen. Hij bleef een kwarteeuw directeur van deze school en bezorgde haar een internationale uitstraling, net zoals hij de Gentse tuinbouw wereldwijde faam bezorgde. Louis Van Houtte was immers een zeer veelzijdig man: “horticulteur, rédacteur, explorateur, ancien directeur du Jardin Botanique de Bruxelles, auteur de “La Flore des Serres et des Jardins de l’Europe”. Ontelbaar zijn de prijzen die hij behaalde op tuinbouwtentoonstellingen, waarmee hij ook de faam van de “Gentse Floraliën” vestigde.

De door hem gestichte school had dan ook van bij het begin een ingrijpende invloed op de evolutie van de tuinbouw. In 1874 werd de school overgebracht naar de Kruidtuin op de Steendam te Gent en onder de leiding geplaatst van prof. Kickx. Ze ressorteerde toen onder het Ministerie van Onderwijs en Schone Kunsten. De Oranjerie daar was imposant. Trouwens, de actuele oranjerie van de Tuinbouwschool Melle is er een verkleinde kopie van.

In 1889, na de dood van prof. Kickx, werd de school voor een tweede maal verplaatst, deze keer naar een vleugel van de Normaalschool op de Hofbouwlaan te Gent. De school werd tegelijkertijd overgeheveld naar het Ministerie van Landbouw en de heer Emile Rodigas werd directeur. Hij was een buitengewoon onderlegd man en had reeds meegewerkt aan alle uitgaven van Louis Van Houtte. Door het lerarenkorps werd Het Tijdschrift voor Boomteelt, Bloementeelt en Groenteteelt uitgegeven, dat zowel in het Nederlands als in het Frans verscheen. Er werd ook meer eenheid gebracht in de studieprogramma’s en voor de school begon een periode van grote bloei. Er studeerden nog steeds jonge mensen uit verschillende landen aan de school.

De heer Rodigas schafte de praktijk op de verschillende bedrijven af en legde modelproeftuinen aan, gelegen in de Ottergemsesteenweg, in de Hofbouwlaan en in de Ledeganckstraat, de huidige plantentuin van de Universiteit Gent. Hij richtte ook een speciale leergang “Bloembinderij” op, evenals de leergang “Koloniale Teelten”.

De oorlog van 1914 remde de werking van de school en in 1917 werd het Nederlands de voertaal van het onderwijs, waardoor vele buitenlandse leerlingen de lessen niet meer konden volgen.

De crisis in de tuinbouw in de naoorlogse jaren - heel wat tuinbouwbedrijven gingen na de ellende van de oorlogsjaren teniet - bracht een sterke terugloop van het aantal leerlingen mee. Daarenboven wilde de directie van de Normaalschool net op dat ogenblik opnieuw in het bezit komen van de lokalen die sedert 1889 door de Tuinbouwschool werden ingenomen. De nieuwe directeur, de heer Robert Pauwels, die de heer Ronse in 1921 had opgevolgd, spande zich terdege in opdat de school zou kunnen blijven bestaan. Hij kreeg hierbij de steun van tal van tuinbouwbedrijven en van het stadsbestuur. Vruchteloos echter. Begin augustus 1923 werd beslist dat de “Middelbare Tuinbouwschool” te Gent werd afgeschaft en vervangen zou worden door avond- en zondaglessen. De heer Valère Delbeke werd in december 1923 belast met de leiding van deze nieuwe richting. Toch volgden er onverpoosde inspanningen van o.a. Alfons Collumbien, oud-leraar van de school, om de school te kunnen heropenen. Dat kon in 1931 ten titel van proef. Toen in 1933 - met de oprichting van de Dienst voor Technisch Onderwijs - de school weer gehecht werd aan het Ministerie van Openbaar Onderwijs, werd door dit departement ingezien dat de toestand van de school te Gent onhoudbaar was geworden. In 1936 werd dan ook overgegaan tot de aankoop van ruim 8 ha van de huidige terreinen van de school, voorheen eigendom van


de familie Beernaerts. Het terrein werd aangepast, een serrecomplex werd opgetrokken en op 4 oktober 1937 werden de nieuwe lokalen ingehuldigd, totaal onfunctioneel als school, maar met een unieke sfeer.

 

In 1942 werd het domein uitgebreid met de gronden gelegen tussen de vijver en de Schelde, waar thans de boomgaard van de school is gelegen. Onder de directie van de heer Verstrynghe werd de school uitgebreid met Hoger Onderwijs, nl. met een Graduaat Landschaps- en Tuinarchitectuur. Vandaar de naam “Hoger Rijksinstituut voor Tuinbouw”. In 1985 werden nog 3 ha verworven die langs de Schelde gelegen waren, waardoor het areaal in totaal 17 ha omvatte.

In 1988 werd op het niveau Hoger Onderwijs de afdeling Land- en Tuinbouw toegevoegd, onder de directie van de heer Guy Maes. De school heette dan “Hoger Instituut voor Land- en Tuinbouw”. Tevens werd in dezelfde periode het milieuonderwijs ontwikkeld en werd in de jaren 1990 en volgende het Hoger Secundair Beroepsonderwijs uitgebouwd.

In 1995 veranderde de school nogmaals van naam, toen op basis van het nieuwe decreet voor het Hoger Onderwijs een splitsing tussen het Secundair en het Hoger Onderwijs zich opdrong. Het Hoger Onderwijs, voorheen verbonden aan de “Tuinbouwschool” werd een deel van de Hogeschool Gent, hoewel het nog steeds in Melle wordt georganiseerd. Het Secundair Onderwijs begon een autonoom bestaan als “KTA Tuinbouwschool Melle” en beheert sindsdien het domein. Er wordt tuinbouwonderwijs georganiseerd voor jongeren van 12 tot 19 jaar en het onderwijsaanbod in de studierichting Tuinbouw is er compleet.

Na 1995 volgde Anne De Belder Guy Maes op als directeur van Tuinbouwschool Melle. Toen ze verkoos om nog enkel als Coördinerend Directeur van Scholengroep Panta Rhei te fungeren, gaf ze in september 2008 de fakkel door aan Jan De Smet, huidig directeur.

 

 
Tuinbouwschool Melle - Historiek van de site.

Het domein situeert zich op een historisch bijzonder interessante site die gelegen is aan de Schelde en langsheen de weg van Gent naar Brussel. Sanderus beschreef de site eeuwen geleden als “bijzonder goed gelegen in een meander van de Schelde, een lieflijke plaats waar de lucht gezond is …”. In de Scheldebocht was sedert de 13de eeuw de cisterciënzerinnenabdij O.L.V. Ten Bos of Nieuwenbosabdij gevestigd.
In 1948 werd in de boomgaard van de school de prachtige graftombe van Hugo II, kastelein van Gent en Heer van Heusden opgegraven. Dit praalgraf is thans te bewonderen in het Bijlokemuseum.
Het 15,5 ha grote schooldomein draagt sterk bij tot de uitstraling van de school. Personeel en leerlingen zijn er trots op. Het ademt rust uit, terwijl juist de bedrijvigheid op de school zeer groot is. Het schooldomein herbergt de traditionele afdelingen binnen de productietuinbouw: bloementeelt, groenteteelt en fruit- en sierboomteelt. Met de uitbreiding van het studieaanbod met de richting Natuur- en Landschapsbeheertechnieken werd recent een deel van het domein voor ecologisch veldwerk ingericht. Visueel dominant en bijzonder attractief blijven de oranjerie, het kasteel en het Engelse landschapspark.

Op het domein ten westen van de Schelde ontstond een gehucht, Zwaanhoek, genaamd naar de herberg “Het Swaentien”. Het was in feite een aanlegplaats voor de schepen en voor het Nonnenbosseveer en een halteplaats op de Brusselse Heirweg.
Meer dan drie eeuwen zouden de religieuzen in Heusden een rustig verblijf kennen, slechts eenmaal verstoord toen de legers van Lodewijk van Male in 1381 bij het beleg van Gent, hun intrek namen in de abdij.
Op 25 mei 1579 werden de resten van de abdij als bouwstoffen ter beschikking gesteld van de omwonenden, wat meteen het definitieve einde betekende.

In de 16de eeuw bouwden Spaanse militairen een garnizoenspost in de bocht van de Schelde om toezicht te houden over het verkeer van en naar Gent.
Midden vorige eeuw werd een “huis van plesantiën met lusthof” gebouwd in de typische neo-klassieke stijl met een Engels landschapspark hieraan verbonden. Sinds 1937 werd dit domein “de tuinbouwschool van Melle”.

In 1942 werd het domein uitgebreid met de gronden gelegen tussen de vijver en de Schelde, waar thans de boomgaard van de school gelegen is. Tenslotte werd in 1985 nog 3 ha gelegen langs de Schelde verworven, wat het areaal in het totaal op 21 ha bracht.
De overstromingen van Kerstmis 1999 brachten de uitvoering van een grondige versterking van de Scheldedijken in een hogere versnelling. Deze infrastructuurwerken gingen gepaard met een verbreding en verhoging van de oude dijken. Voor het algemeen nut diende Tuinbouwschool Melle terrein af te staan, zodat de huidige totale oppervlakte 15,5 ha bedraagt.

 

 
Het “Huys van Plesantiën”

Dit neoclassicistisch bouwwerk, waarvoor Baron Coppens uit Melle in 1833 de Gentse architect L. Minard opdracht gaf, kreeg zoals vele historische monumenten meerdere namen in de loop van de geschiedenis, van “Kasteel Coppens” over “Kasteel Zwaenhoek” -naar het gehucht de Zwaenhoek, en Kasteel Piers de Raveschoot of Beernaerts- naar andere eigenaars.
Het kasteel is een rechtho ekige monumentale woning ondermeer door de perfecte inplanting op het hoogste punt van het domein, geflankeerd door de 140-jarige “Cedrus Libanii”, een kathedraal van een boom. Jammer genoeg liep de boom in 2006 zware stormschade op. Even werd gevreesd voor zijn overlevingskansen. Na een boomchirurgische ingreep blijkt dit symbool voor de overlevingsdrang en vitaliteit van de school stevig stand te houden.
Dit dubbelhuis omvat vijf traveeën en tweeënhalve verdieping op een souterrain. Opvallend zijn de sierlijke smeedijzeren vorstkam op het  schilddak en de kolossale zuilen, versierd met Korinthische kapitelen, die rusten op een geprofileerde basis. Deze zuilen accentueren de verticale lijnen en het middenrisaliet in de voorgevel.
Dit negentiende-eeuwse buitenverblijf met hoge ramen met driehoekige frontons op consoles is een typisch handelsmerk van de succesvolle architect Minard.
De witgeschilderde en bepleisterde lijstgevels met initiatiebanden en -hoekstenen, waren in de 19de eeuw à la mode. De symmetrie van dit gebouw met een licht uitspringende middenrisaliet staat in schril contrast met de aangebouwde vleugel met klaslokalen (1949). De naoorlogse architecturale opvattingen of het gebrek hieraan, zijn thans helaas een esthetische erfdienstbaarheid, die niet gemakkelijk te lichten is.
De opvallende brede kroonlijst met gelede architraaf is versierd met fries en uitspringende tandlijst en klossen.

Het interieur van de benedenverdieping omvat verscheidene salons in diverse neo-stijlen, alle in verschillende hoofdtonen gekleurd. Opvallend is de sterk geprofileerde plafonddecoratie in Louis-Philippestijl in het Louis Van Houttesalon. Deze zaal wordt thans zo genoemd naar de stichter van de school (1849) en befaamde grondlegger van de tuinbouw in Gent. De centrale rozet, de grote vierkante caissons met ingewerkt Hermeshoofd, tussen bladrandmotieven en de wanddecoraties, zijn mooie exponenten van deze architectuur. Dit salon staat in sterk contrast met de streng neoclassicistische marmeren zaal, waar groen de hoofdtoon uitmaakt.
Overigens zijn de neo-Vlaams-renaissance jachtkamer en de neo-Lodewijk XVI eetkamer (thans lerarenkamer) en het muzieksalon typische voorbeelden van het amalgaam van het neoclassicisme.
De bovenverdiepingen werden ingericht als klaslokalen en verloren hun oorspronkelijke karakter.

 

 
Het Engelse landschapspark

De opdracht voor het ontwerpen van het park werd destijds toevertrouwd aan H.J. Van Hulle.
Hubert Jan Van Hulle (1827-1900) was een der eerste en meest verdienstelijke studenten van Louis Van Houtte, stichter van onze school. In de tweede helft van de 19de eeuw was hij een toonaangevende figuur op gebied van groenvoorziening in het Gentse.
Vanaf 1860 speelde H.J. Van Hulle een belangrijke rol door het propageren van de Engelse landschapstuin in onze gewesten en van vernieuwende tendensen in de tuinarchitectuur, waar men zich tot dan vasthield aan de neoklassieke (Franse) tuinschema’s.
Als leraar aan de Rijkstuinbouwschool, hortulanus van de Gentse plantentuin en inspecteur der beplantingen van de stad Gent werd hij o.a. belast met het opmaken van een groenplan voor de Kuiperskaai, Bijlokekaai, Visserij, het Graaf van Vlaanderenplein, het St.-Annaplein, het Citadelpark, …
Zo ook is het ontwerp van het park van onze school van zijn hand. Hij kreeg de opdracht om op de westelijke oever van de oude Scheldearm een Engelse landschapstuin te ontwerpen waarin talrijke botanische bijzonderheden een geschikte plaats konden vinden.

Het originele plan van J.H. Van Hulle (zie plan) vertoont alle kenmerken van de landschapsstijl:

  • Inspelend op het natuurlijk reliëf (zeer uitgesproken tussen vijver en kasteel) werden gebogen paden uitgetekend die bij een wandeling steeds wisselende en verrassende indrukken opwekken.
  • Door middel van een 5-tal zichtlijnen, die vanuit het kasteel vertrekken, worden doorzichten aangegeven. Hierbij blijft het park overzichtelijk zonder alle verrassingen ineens prijs te geven.
  • De ligging en de vorm van de grasvelden, de solitaire bomen en de afwisselende open en gesloten boombestanden zorgen voor allerlei optische effecten.
  • Vanop de trappen van het kasteel (oostzijde) wordt pas duidelijk hoe subtiel er met het perspectief werd omgesprongen. Het hol verloop van het gazon in de kijkrichting, langs beide kanten ondersteund door beplantingsmassieven vergroten in sterke mate de dieptewerking. Aansluitend is de begrenzing met het omliggende landschap vaag gehouden waardoor het park groter lijkt dan het in werkelijkheid is.
  • Door de imposante plantencollectie is het park in alle jaargetijden aantrekkelijk. Denken we maar aan de Azalea-, Hamamelis- en Rhodondendronmassieven, de zomerbloeiende heesters, de monumentale rode beuk en de Libanonceder.
  • Door de vloeiende overgang tussen de verschillende soorten beplanting lijkt het geheel ongekunsteld.
  • Het loodrecht kruisen van de paden met de zichtlijnen maakt deze weinig of niet zichtbaar. Kruisingen van paden zijn verborgen in de beplanting waardoor contrasten ontstaan: licht-donker, open-gesloten.
  • Bij een wandeling langs de vijver (4,5 ha) is vooral het weerspiegelend effect en het gevoel aan een doorstromende rivier te vertoeven (hier toevallig een oude Scheldearm) zo typisch voor de landschapsstijl.

Wegens de wijzigende functies van gebouwen en park werden enkele diepgaande ingrepen uitgevoerd, zoals:

  • Het verplaatsen van de boomgaard, oorspronkelijk gelegen ten noorden en ten westen van de groentetuin, naar de huidige plaats.
  • Het verkopen van een aantal bouwpercelen gelegen langs de Brusselsesteenweg en aan de zuidelijke grens van het domein.
  • Het inplanten van een uitgebreid serrecomplex.
  • Het ophogen van de Scheldedijken in het kader van het Sigmaplan. Hierdoor is  de binding met het landschap (de Scheldemeersen) enigszins vervaagd.
  • De aanbouw van klaslokalen aan het kasteel.
  • Het bouwen van de gymzaal.
  • De aanleg van parkeerplaatsen.

Niettegenstaande deze ingrepen zijn in het huidige park nog altijd een aantal karakteristieken van de landschapsstijl duidelijk aanwezig.

 

 
De blikvanger van het domein: de oranjerie

Het historische landschap

De tuin kende in de 19de eeuw veel succes bij de Gentse aristocratie. Deze vrijetijdsbesteding van de bourgeoisie zal later leiden tot een economisch belangrijke bedrijvigheid in Gent.
Het resultaat van de postromantische hernieuwde belangstelling voor wat zich buiten afspeelde, laat zich aflezen uit de talrijke landschapskamers die de natuur tot in de Gentse herenhuizen bracht. In de 19de eeuw verschenen in de stad en de omgeving oranjerieën, prachtige gebouwen die dienden voor het kweken van exotische planten en vruchten (ananas). In deze passie vonden adel en hogere burgerij elkaar.
De landadel en nadien de industriëlen lieten graag de collecties en curiositeiten bewonderen die zij in andere continenten verzameld hadden. Deze exotische plantencollecties waren vanzelfsprekend niet aangepast aan ons klimaat. Daartoe werden aanvankelijk houten, wegneembare kassen gebouwd, later vervangen door vaste lokalen met hoge ramen naar het zuiden om zoveel mogelijk natuurlijke warmte te vergaren.
Elke kasteelheer was het aan zichzelf verplicht om over een oranjerie te beschikken, zo ook het verblijf van baron Coppens.
De oranjerie op het schooldomein is een verkorte kopie van de oranjerie die in 1827 werd ontworpen door architect Roelandt van de Gentse kruidtuin, thans Baudelo-hof. Ze werd tegelijk (1833) en door  dezelfde architect ontworpen die de plannen voor het kasteel tekende (Minard).
Tegen de oranjerie zijn het koetshuis en de paardenstallen aangebouwd, terwijl zich aan de noordzijde de verblijven van het huispersoneel bevonden.
Het elegante neoclassicistische gebouw vertoont hoge rechthoekige vensters met ijzeren roedenverdeling aan de zuidzijde. De zeven vensters worden gescheiden door kolommen voorzien van een Ionisch kapiteel. De kroonlijst vertoont klossen. De achtergevel heeft twee bouwlagen, kleine steekboogvensters op de benedenverdieping en hoge rechthoekige ramen gescheiden door Dorische pilasters op de eerste verdieping. Het interieur heeft een vlak bepleisterd tongewelf en een omlopende kroonlijst.
De grote ruimte is verticaal opgesplitst in twee delen, gescheiden door een houten wand. In het noordelijk deel -vermoedelijk een werkruimte- zijn niveaus gemaakt; het zuidelijk deel -de eigenlijke oranjerie- is een grote ruimte met hoge ramen.
Opmerkelijk is wel dat deze neoclassicistische tempel nog steeds functioneert als oranjerie en aan een opmerkelijke collectie onderdak verleent. Eens de ijsheiligen (15 mei) zich hebben teruggetrokken, worden de palm- en laurierbomen, waarvan vele meer dan 75 jaar oud zijn, in de tuin uitgestald, waardoor het aspect van het schooldomein op één dag zomers aandoet.
Tot op heden bewaarde de oranjerie als leer- en werkingsmiddel van de school haar functionaliteit. Leerlingen ervaren aldus de verstrengeling tussen groen erfgoed en architectonisch patrimonium. Dit prachtige, statige gebouw verder laten vervallen, zou blijk geven van schuldig verzuim en een gebrek aan respect voor het historische landschap.